Home
  Werkplaats
  Instrumenten
  Viola pomposa enz.
  Reparaties
  Bestellen
  Onderhanden werk
  Projecten
  Cursussen
  Forum
  Referenties
  Achtergrond info
  Contact

 

Viola pomposa (violoncello piccolo) en viola d’amore: besnaring

In 2000 en 2001 heb ik twee violoncelli piccolo (armcelli?) gemaakt voor respectievelijk Lambert Smit en Simon Murphy. Het idee ervoor kwam van Lambert Smit, al lang een trouwe klant van mij. Om hier niet te veel in details te hoeven treden, raad ik aan zijn website hierover te raadplegen www.lambertsmit.com. Lambert bracht ook het project van de wederopstanding van de armcello onder de aandacht van Sigiswald Kuyken, die daarop een paar instrumenten bestelde bij vioolbouwer en –speler Dmitry Badiarov. En als Sigiswald zich niet vol overgave op dit project had gestort, zouden we er waarschijnlijk niet veel meer van gehoord hebben. Het punt is namelijk dat een vijfsnarig instrument, gestemd als een cello, maar met een snaarlengte van ca. 42cm, geheel eigen besnaringsproblemen met zich meebrengt. Problemen die tot voor een jaar niemand op een muzikaal overtuigende manier heeft weten op te lossen. En daar komt de viola d’amore op het toneel.

De amore moest een getrouwe kopie worden, compleet met de toen volgens de bronnen gangbare metalen besnaring. Maar, historische gegevens over deze besnaring zijn uiterst schaars. Anderzijds bleek het prachtige instrument van Skotchowsky in Parijs, met een corpuslengte van 44cm, onhandelbaar groot voor de opdrachtgeefster, barokvioliste Arwen Bouw. Met de onmisbare hulp en steun van haar partner, klavierbouwer en –restaurateur Paul Kobald, zijn we toen gaan experimenteren met snaarlengtes, -diktes, -materialen en –omspinningen tot we een besnaring hadden gevonden die in de meer gangbare stemmingen goed werkte. De gevonden snaarlengte was 37,5cm. Op basis van dit gegeven heb ik de Skotchovsky in dezelfde verhouding kleiner gemaakt, wat een corpuslengte opleverde van net onder 40,5cm, alleszins hanteerbaar derhalve.

Toen vroeg ik me af of we eenzelfde soort experiment ook voor de besnaring van de viola pomposa zouden kunnen doen. Het idee was, dat de klassieke snaartheorie voorspelt dat het functioneren van een omsponnen snaar in de eerste plaats afhankelijk is van de spanning in de kern. Snaren klinken het best in het gebied vlak voor het breekpunt. Een lage snaar met een niet al te zware omspinning zal dus een zeer dunne kern moeten hebben. In plaats van de 120 of soms nog zwaarder die wij aantroffen in de lage C, hebben we een dubbel omsponnen snaar gemaakt met een kern van ca. 60, zeg maar een e-snaar van de viool. Het werkte prachtig, een C met een kern van 58 ging na een mooi maar kort leven zelfs in tweeën. En hiermee was ook aangetoond hoezeer de armcello vooral gezien moet worden als een ontwikkeling uit de tijd dat de mogelijkheden van omsponnen snaren algemeen bekend en gewaardeerd begonnen te worden. Wie ook op zoek is naar de enige echte cello waarvoor Bach zijn suites heeft gemaakt, kan over snaren contact opnemen met mij of met Paul Kobald op claviertiger@mac.com.

Sindsdien zijn behalve door Sigiswald meer concerten gegeven met de violoncello piccolo (of “da bracchio”, de terminologie is nog zeer verward) met de nieuwe besnaring. Simon Murphy gaf een kamermuziekavond (www.newdutchacademy.nl) en het ensemble “De Swaen” (www.barokensembledeswaen.nl) een avond met cantates en sinfonia’s. Voor dit laatste concert werden lage snaren van Mimo Peruffo van Aquila Strings gebruikt. Hij heeft klaarblijkelijk hetzelfde idee gekregen. In beide concerten speelde de armcello een muzikaal overtuigende rol, solo zowel als in het continuo.